Présent
- j'ai
- tu as
- il/elle a
- nous avons
- vous avez
- ils/elles ont
avoir is het Franse werkwoord voor „hebben”. Het is een onregelmatig werkwoord. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is eu.
In de présent: j'ai, tu as, il/elle a, nous avons, vous avez, ils/elles ont.
Oefen avoir
Vraag 1 van 5
avoir · Présent
En ce moment, j' beaucoup de travail.
Op dit moment heb ik veel werk.
avoir · Présent
Toi et moi, nous beaucoup de chance en ce moment.
Jij en ik hebben op dit moment veel geluk.
avoir · Passé composé
Marie un chiot pour son anniversaire, le mois dernier.
Marie heeft vorige maand een puppy gekregen voor haar verjaardag.
avoir · Présent
Mes parents souvent des invités le samedi.
Mijn ouders hebben op zaterdag vaak gasten.
avoir · Passé composé
Vous un problème avec la voiture récemment ?
Hebben jullie onlangs een probleem met de auto gehad?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.