Présent
- je dis
- tu dis
- il/elle dit
- nous disons
- vous dites
- ils/elles disent
dire is het Franse werkwoord voor „zeggen”. Het is een onregelmatig werkwoord. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is dit.
In de présent: je dis, tu dis, il/elle dit, nous disons, vous dites, ils/elles disent.
Oefen dire
Vraag 1 van 5
dire · Présent
Chaque matin, je bonjour au facteur.
Elke ochtend zeg ik de postbode gedag.
dire · Présent
Mon frère et moi, nous bonne nuit à maman chaque soir.
Mijn broer en ik zeggen mama elke avond welterusten.
dire · Passé composé
L'autre jour, Marie au revoir à ses amis.
Laatst heeft Marie haar vrienden gedag gezegd.
dire · Présent
Les enfants merci à la boulangère tous les jours.
De kinderen zeggen elke dag dankjewel tegen de bakkersvrouw.
dire · Passé composé
Vous la même chose la semaine dernière.
Jullie hebben vorige week hetzelfde gezegd.
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.