Présent
- je peux
- tu peux
- il/elle peut
- nous pouvons
- vous pouvez
- ils/elles peuvent
pouvoir is het Franse werkwoord voor „kunnen”. Het is een onregelmatig werkwoord. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is pu.
In de présent: je peux, tu peux, il/elle peut, nous pouvons, vous pouvez, ils/elles peuvent.
Oefen pouvoir
Vraag 1 van 5
pouvoir · Présent
Je sortir le chien maintenant.
Ik kan de hond nu uitlaten.
pouvoir · Présent
En ce moment, ma sœur et moi, nous manger dans le jardin.
Op dit moment kunnen mijn zus en ik in de tuin eten.
pouvoir · Passé composé
Mon frère trouver un travail le mois dernier.
Mijn broer heeft vorige maand werk kunnen vinden.
pouvoir · Présent
Mes sœurs dormir ici le samedi.
Mijn zussen mogen op zaterdag hier slapen.
pouvoir · Passé composé
Vous parler au docteur dernièrement ?
Hebben jullie de laatste tijd met de dokter kunnen praten?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.