Présent
- je sais
- tu sais
- il/elle sait
- nous savons
- vous savez
- ils/elles savent
savoir is het Franse werkwoord voor „weten”. Het is een onregelmatig werkwoord. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is su.
In de présent: je sais, tu sais, il/elle sait, nous savons, vous savez, ils/elles savent.
Oefen savoir
Vraag 1 van 5
savoir · Présent
Maintenant, je nager comme un poisson.
Nu kan ik zwemmen als een vis.
savoir · Présent
Toi et moi, nous faire de bonnes crêpes maintenant.
Jij en ik kunnen nu lekkere pannenkoeken bakken.
savoir · Passé composé
Mon frère la vérité la semaine dernière.
Mijn broer is vorige week achter de waarheid gekomen.
savoir · Présent
Maintenant, mes sœurs parler anglais.
Nu kunnen mijn zussen Engels spreken.
savoir · Passé composé
Vous deux, vous calmer le chien hier soir.
Jullie tweeën hebben gisteravond de hond weten te kalmeren.
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.