Présent
- je vais
- tu vas
- il/elle va
- nous allons
- vous allez
- ils/elles vont
aller is het Franse werkwoord voor „gaan”. Het is een onregelmatig werkwoord. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord être, en het participe passé is allé.
In de présent: je vais, tu vas, il/elle va, nous allons, vous allez, ils/elles vont.
Met être stemt het participe passé overeen met het onderwerp: voeg -e toe bij een vrouwelijk onderwerp, -s in het meervoud.
Oefen aller
Vraag 1 van 5
aller · Présent
Je au parc avec le chien tous les matins.
Ik ga elke ochtend met de hond naar het park.
aller · Présent
Le dimanche, nous souvent chez ma grand-mère.
Op zondag gaan we vaak naar mijn oma.
aller · Passé composé
Marie à Paris le week-end dernier.
Marie is afgelopen weekend naar Parijs gegaan.
aller · Présent
Les enfants à la piscine chaque semaine.
De kinderen gaan elke week naar het zwembad.
aller · Passé composé
Vous à la montagne l'été dernier ?
Zijn jullie afgelopen zomer naar de bergen gegaan?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.