Présent
- je vends
- tu vends
- il/elle vend
- nous vendons
- vous vendez
- ils/elles vendent
vendre is het Franse werkwoord voor „verkopen”. Het is een regelmatig werkwoord op -re. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is vendu.
In de présent: je vends, tu vends, il/elle vend, nous vendons, vous vendez, ils/elles vendent.
Oefen vendre
Vraag 1 van 5
vendre · Présent
Je des légumes au marché le samedi.
Ik verkoop op zaterdag groenten op de markt.
vendre · Présent
Nous des gâteaux pour l'école tous les ans.
We verkopen elk jaar taarten voor school.
vendre · Passé composé
Mon frère sa guitare il y a deux jours.
Mijn broer heeft twee dagen geleden zijn gitaar verkocht.
vendre · Présent
Mes voisins leur maison maintenant.
Mijn buren verkopen nu hun huis.
vendre · Passé composé
Vous beaucoup de fleurs le week-end dernier ?
Hebben jullie afgelopen weekend veel bloemen verkocht?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.