Présent
- j'écris
- tu écris
- il/elle écrit
- nous écrivons
- vous écrivez
- ils/elles écrivent
écrire is het Franse werkwoord voor „schrijven”. Het is een werkwoord op -re met een onregelmatige stam. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is écrit.
In de présent: j'écris, tu écris, il/elle écrit, nous écrivons, vous écrivez, ils/elles écrivent.
De stam wisselt tussen écri- en écriv-: j'écris, maar nous écrivons.
Oefen écrire
Vraag 1 van 5
écrire · Présent
J' une carte à ma grand-mère chaque semaine.
Ik schrijf elke week een kaartje aan mijn oma.
écrire · Présent
Nous une histoire en classe en ce moment.
We schrijven op dit moment in de klas een verhaal.
écrire · Passé composé
Marie un petit mot au voisin mardi dernier.
Marie heeft afgelopen dinsdag een briefje aan de buurman geschreven.
écrire · Présent
Les élèves leur nom en haut de la page maintenant.
De leerlingen schrijven nu hun naam bovenaan de bladzijde.
écrire · Passé composé
Vous deux, vous à Mamie mercredi dernier ?
Hebben jullie tweeën afgelopen woensdag oma geschreven?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.