Présent
- j'entends
- tu entends
- il/elle entend
- nous entendons
- vous entendez
- ils/elles entendent
entendre is het Franse werkwoord voor „horen”. Het is een regelmatig werkwoord op -re. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is entendu.
In de présent: j'entends, tu entends, il/elle entend, nous entendons, vous entendez, ils/elles entendent.
Oefen entendre
Vraag 1 van 5
entendre · Présent
J' le chien du voisin chaque matin.
Ik hoor elke ochtend de hond van de buren.
entendre · Présent
Ma sœur et moi, nous les oiseaux tous les matins.
Mijn zus en ik horen elke ochtend de vogels.
entendre · Passé composé
Le chien le facteur avant tout le monde hier matin.
De hond heeft gisterochtend de postbode eerder gehoord dan iedereen.
entendre · Présent
Les voisins notre chien aboyer tous les soirs.
De buren horen onze hond elke avond blaffen.
entendre · Passé composé
Toi et Paul, vous l'orage il y a une heure ?
Hebben jij en Paul een uur geleden het onweer gehoord?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.