Présent
- je grandis
- tu grandis
- il/elle grandit
- nous grandissons
- vous grandissez
- ils/elles grandissent
grandir is het Franse werkwoord voor „groeien / opgroeien”. Het is een regelmatig werkwoord op -ir, vervoegd zoals finir. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is grandi.
In de présent: je grandis, tu grandis, il/elle grandit, nous grandissons, vous grandissez, ils/elles grandissent.
Oefen grandir
Vraag 1 van 5
grandir · Présent
Moi, je encore : deux centimètres chaque année !
Ik groei nog steeds: elk jaar twee centimeter!
grandir · Présent
Ma sœur et moi, nous encore un peu tous les jours.
Mijn zus en ik groeien nog elke dag een beetje.
grandir · Passé composé
Le chiot très vite le mois dernier.
De puppy is vorige maand heel snel gegroeid.
grandir · Présent
Les tomates du voisin bien, maintenant.
De tomaten van de buurman groeien nu goed.
grandir · Passé composé
Toi et ta sœur, vous de dix centimètres l'an dernier ?
Zijn jij en je zus vorig jaar tien centimeter gegroeid?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.