Présent
- je dors
- tu dors
- il/elle dort
- nous dormons
- vous dormez
- ils/elles dorment
dormir is het Franse werkwoord voor „slapen”. Het is een werkwoord op -ir met een onregelmatige stam. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is dormi.
In de présent: je dors, tu dors, il/elle dort, nous dormons, vous dormez, ils/elles dorment.
De stam verliest zijn laatste medeklinker in het enkelvoud van de présent: je dors, maar nous dormons.
Oefen dormir
Vraag 1 van 5
dormir · Présent
D'habitude, je avec la fenêtre ouverte, même l'hiver.
Meestal slaap ik met het raam open, zelfs in de winter.
dormir · Présent
Mon frère et moi, nous dehors le week-end, quand il fait beau.
Mijn broer en ik slapen in het weekend buiten als het mooi weer is.
dormir · Passé composé
Hier, le chien sous mon lit toute la nuit.
Gisteren heeft de hond de hele nacht onder mijn bed geslapen.
dormir · Présent
Les enfants chez leur grand-mère le vendredi.
De kinderen slapen op vrijdag bij hun oma.
dormir · Passé composé
Vous deux, vous un peu hier après-midi ?
Hebben jullie tweeën gistermiddag een beetje geslapen?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.