Présent
- je mange
- tu manges
- il/elle mange
- nous mangeons
- vous mangez
- ils/elles mangent
manger is het Franse werkwoord voor „eten”. Het is een werkwoord op -er met een spellingswijziging. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is mangé.
In de présent: je mange, tu manges, il/elle mange, nous mangeons, vous mangez, ils/elles mangent.
Werkwoorden op -ger voegen een e in vóór a en o, zodat de g zacht blijft: nous mangeons, niet mangons.
Oefen manger
Vraag 1 van 5
manger · Présent
Je une pomme tous les matins au petit-déjeuner.
Ik eet elke ochtend een appel bij het ontbijt.
manger · Présent
Le dimanche, nous tous ensemble chez mamie.
Op zondag eten we allemaal samen bij oma.
manger · Passé composé
Le chat le poisson du voisin avant-hier.
De kat heeft eergisteren de vis van de buurman opgegeten.
manger · Présent
Les voisins dans le jardin tous les soirs en été.
De buren eten 's zomers elke avond in de tuin.
manger · Passé composé
Vous au restaurant samedi dernier ?
Hebben jullie afgelopen zaterdag in een restaurant gegeten?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.