Présent
- j'arrive
- tu arrives
- il/elle arrive
- nous arrivons
- vous arrivez
- ils/elles arrivent
arriver is het Franse werkwoord voor „aankomen”. Het is een regelmatig werkwoord op -er. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord être, en het participe passé is arrivé.
In de présent: j'arrive, tu arrives, il/elle arrive, nous arrivons, vous arrivez, ils/elles arrivent.
Met être stemt het participe passé overeen met het onderwerp: voeg -e toe bij een vrouwelijk onderwerp, -s in het meervoud.
Oefen arriver
Vraag 1 van 5
arriver · Présent
J' au bureau à neuf heures tous les jours.
Ik kom elke dag om negen uur op kantoor aan.
arriver · Présent
Toi et moi, nous en avance au cinéma, d'habitude.
Jij en ik zijn meestal vroeg in de bioscoop.
arriver · Passé composé
Mon voisin avec son nouveau chien hier matin.
Mijn buurman is gisterochtend met zijn nieuwe hond aangekomen.
arriver · Présent
Les invités en ce moment avec le gâteau.
De gasten komen er nu aan met de taart.
arriver · Passé composé
Vous avant nous à la plage samedi dernier ?
Zijn jullie afgelopen zaterdag eerder dan wij op het strand aangekomen?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.