Présent
- je travaille
- tu travailles
- il/elle travaille
- nous travaillons
- vous travaillez
- ils/elles travaillent
travailler is het Franse werkwoord voor „werken”. Het is een regelmatig werkwoord op -er. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is travaillé.
In de présent: je travaille, tu travailles, il/elle travaille, nous travaillons, vous travaillez, ils/elles travaillent.
Oefen travailler
Vraag 1 van 5
travailler · Présent
Je à la maison le vendredi.
Op vrijdag werk ik thuis.
travailler · Présent
Nous dans le jardin le samedi matin.
Op zaterdagochtend werken we in de tuin.
travailler · Passé composé
Paul dans un café l'été dernier.
Paul heeft afgelopen zomer in een café gewerkt.
travailler · Présent
En ce moment, mes parents tard le soir.
Op dit moment werken mijn ouders 's avonds laat.
travailler · Passé composé
Vous avec Marie le mois dernier ?
Hebben jullie vorige maand met Marie gewerkt?
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.