Présent
- je trouve
- tu trouves
- il/elle trouve
- nous trouvons
- vous trouvez
- ils/elles trouvent
trouver is het Franse werkwoord voor „vinden”. Het is een regelmatig werkwoord op -er. De samengestelde tijden, zoals de passé composé, vormt het met het hulpwerkwoord avoir, en het participe passé is trouvé.
In de présent: je trouve, tu trouves, il/elle trouve, nous trouvons, vous trouvez, ils/elles trouvent.
Oefen trouver
Vraag 1 van 5
trouver · Présent
Le matin, je mon chien dans la cuisine.
's Ochtends vind ik mijn hond in de keuken.
trouver · Présent
Paul et moi, nous ce restaurant très bon, en général.
Paul en ik vinden dit restaurant meestal heel goed.
trouver · Passé composé
Marie un bon travail le mois dernier.
Marie heeft vorige maand een goede baan gevonden.
trouver · Présent
Les enfants le chat sous la table chaque matin.
De kinderen vinden de kat elke ochtend onder de tafel.
trouver · Passé composé
Vous la réponse très vite, hier soir.
Jullie hebben gisteravond heel snel het antwoord gevonden.
De zinnen die Conjupi je voor dit werkwoord laat aanvullen, met de vervoegde vorm in het rood.
Vul deze zinnen zelf aan, persoon voor persoon. De vormen die je mist komen terug tot ze erin zitten, en de app leest elke zin voor.